Klik op afbeelding om muziek te behouden. Via UP NEXT meer genres. 

















Hella Haasse:

DE VERANTWOORDELIJKHEID ALS MENS VAN DE KUNSTENAAR


De aarzeling die me bevangt bij het aansnijden van dit onderwerp (dat immers ten nauwste het contact van de kunstenaar met en zijn eventuele invloed op het publiek betreft) vloeit waarschijnlijk voort uit een zekere tegenzin om begrippen als ‘verantwoordelijkheid’, ‘mens’ en ‘kunstenaar’ zo vlot voor de vuist weg te gaan hanteren.

Want wat betekenen ze eigenlijk, en wat bedoelen we wanneer we ze gebruiken? Verantwoordelijkheid van de kunstenaar als mens’: wanneer men het zo uitdrukt, veronderstelt men dus ook een verantwoordelijkheid van de kunstenaar als kunstenaar, en suggereert men dat dit een andere verantwoordelijkheid zou zijn dan die van de mens als lid van de maatschappij. Ja. Dat de artistieke verantwoordelijkheid wel eens lijnrecht tegen de menselijke, — waarmee dan gewoonlijk bedoeld wordt de maatschappelijke — verantwoordelijkheid In kan gaan. Dit komt uiteindelijk neer op de mening dat in een mens de kunstenaar en het maatschappelijke wezen naast elkaar, los van elkaar bestaan, dat er tussen die twee elementen spanningen zijn, dat ze met elkaar in conflict plegen te komen. Immers, als in een persoonlijkheid de ‘mens’ en de ‘kunstenaar’ twee verschillende wezens met uiteenlopende doelstellingen en maatstaven zijn, betekent het aanvaarden van verantwoordelijkheid als mens altijd een keuze en wel uiteindelijk de keuze tegen de kunstenaar in zichzelf. Het betekent dat die kunstenaar moet wijken. Dat hij verdwijnt of aangepast moet worden.

Er zit voor mijn gevoel iets scheefs in de probleemstelling ‘de verantwoordelijkheid van de kunstenaar als mens’, al was het alleen omdat Ik niet geloof dat in een creatieve persoonlijkheid de mens en de kunstenaar gescheiden zijn. Integendeel, zij zijn één. Zij horen dat te zijn. Wie de kunstenaar in zichzelf onderdrukt of doodt is niet werkelijk mens. Wie zich niet met hart, ziel en zinnen mens voelt, kan geen kunstenaar zijn. Ik heb een hekel aan het woord ‘kunstenaar’, juist omdat het een verschil schijnt te scheppen waar volgens mij geen verschil geen afstand is.

De dichteres Gertrude Stem heeft eens gezegd, sprekend over schrijvers: (...) het gaat tenslotte om de hartstocht van de ziel’, daarmee bedoelde ze een toestand van gegrepen- zijn, een overgave en intense aandacht, een passie dle echter de blik niet vertroebelt maar juist een helder schouwen mogelijk maakt. Die innerlijke bezetenheid bepaalt de kwaliteit van wat een mens doet, die bepaalt wat hij is. Er is geen werkelijk kunstwerk mogelijk zonder die hartstocht en die luciditeit, evenmin als er zonder die instelling van een werkelijk mens-zijn sprake kan zijn.
Misschien kan men zeggen, dat de kunstenaar de mens is die wat hij waargenomen of ervaren heeft transformeert door zijn zielshartstocht, zijn leven zélf, en het dan herschept in composities van taal, muziek, vormen. De kunstenaar is zonder twijfel de tegenvoeter, de tegenstander van de conventionele, conformistische maatschappij- mens, van de sleurmens, de kuddemens, de zakelijke materialistische mens, maar nooit ofte nimmer van de werkelijke mens, de innerlijk levende individuele mens, die met inzet van zijn volledige zelf liefheeft en lijdt, denkt, voelt en droomt. Het zijn immers juist de oneindig vele variaties en mogelijkheden in de verhouding tussen de mens en dat wat in hem en buiten hem is, die in de kunst gestalte krijgen.

Als de kunstenaar on-maatschappelijk, of zelfs anti-maatschappelijk schijnt in zijn uitingen, dient men, voor er van ‘nutteloos’, ‘negatief of ‘gevaarlijk’ gesproken wordt, eerst na te gaan in hoeverre zich in zijn werk misschien de on-menselijke, anti-menselijke tendensen in de maatschappij weerspiegelen en in hoeverre in onze wereld fantasie, noblesse, innerlijke bewogenheid en beweeglijkheid en geestelijke vrijheid in het gedrang komen. De kunstenaar. de creatieve enkeling, is als het ware een uiterst gevoelig reagerend orgaan van de gemeenschap. De idee die de inhoud van zijn schepping bepaalt is misschien — om een uitspraak van Til Brugman aan te halen — ‘een geschenk van de gemeenschap aan de creatieve mens, en door hem aan die gemeenschap weerom gegeven’. Evenzeer reageert hij op het ontbreken van ideeën in de wereld om hem heen, of op het ontstaan en voortwoekeren van wat ik anti-ideeën zou willen noemen, en dat is alles wat aanleiding geeft tot verstarring of tot ontbinding, kortom, tot het mensonwaardige.

Misschien zou men ook mogen zeggen dat de kunstenaar zich altijd bewust is (ook al weet hij dat niet met zijn verstand) van een geheel, waarin mens en kosmos, het grootste en het kleinste, het zichtbare en onzichtbare, het meest tastbare en het geheimzinnigste zinvol zijn opgenomen. Van die orde, die harmonie (of van zijn verlangen daarnaar) getuigt hij in de symbolentaal van zijn schepping. Uit zijn materiaal vormt hij iets dat in het klein een spiegelbeeld is van die raadselachtige volledigheid — of hij bootst in wanhoop of onmacht of afkeer of bittere spot het beeld na van de chaotische, verdeelde wereld, geeft de brokstukken en splinters van een voorgoed gebroken voorbije orde, en de losse bouwstenen van een nog onvoltooid, nieuw patroon: zowel verrassend heldere boeiende verbijsterend andere elementen, als dissonanten, kakofonie, het schotse en scheve, misvormde en waanzinnige en afzichtelijke.

Wat hij in het laatste geval voortbrengt is zeker ‘negatief om een modewoord te gebruiken. Maar het is negatief in de zin van omkering, van spiegelschrift van het positieve, dat als zodanig geen kans krijgt, dat verloochend, vernietigd of vervalst wordt. Als het waar is dat er tegenwoordig een kloof gaapt tussen kunstenaar en publiek, dan moet men, geloof ik, de oorzaak daarvan vooral zoeken in dat misverstand waar ik het al eerder over had, als zou de ‘maatschappij’-mens de norm van het menselijke zijn, en de kunstenaar iets anders, en als zou de kunstenaar vanuit zijn uitzonderingspositie de taak hebben hetzij om versiering des levens en verstrooiing te brengen, hetzij om op te treden als een geestelijk leider of een sociale gangmaker, die wijst op het ‘positieve’ en het ‘hogere’. Maar dat positieve moet dan al aanwezig zijn, d.w.z., het moet geen moeite kosten, men moet er niet voor hoeven te veranderen.

De kunstenaar als voorganger, of als amuseur-op-hoog-plan. een veredelde potsenmaker dus; in beide gevallen kan men een zekere afstand tot hem bewaren, hoeft men zich niet wezenlijk bij hem en zijn werk betrokken te voelen.

Er zijn maar weinig mensen die zich de inspanning willen getroosten of die de moed kunnen opbrengen zich rekenschap te geven van de samenhang en de wisselwerking die er bestaat tussen de kunst en het zogenaamde gewone leven — met alle consequenties die dat inzicht meebrengt. Er zijn ook maar weinig mensen die zich afvragen wat nu wel de typische kenmerken en eigenschappen van die kunstenaar zijn, aan wie ze enerzijds zulke hoge eisen stellen op het stuk van verantwoordelijkheid, maar die zij aan de andere kant maatschappelijk gesproken wantrouwen of niet voor vol aanzien, want immers, ‘wat koopje ervoor’.

De kunstenaar is de mens, die levenslang de dingen aankijkt en ondergaat met verwondering. alsof hij ze voor het eerst zag, alsof ze voor het eerst gebeuren. Voor hem is niets gewoon en vanzelfsprekend. Het schijnbaar alledaagse wemelt van raadsels en wonderen. Van Gogh zag het geheim van de werkelijkheid in een oude stoel, Cézanne in een paar appels op een bordje, de dichter hoort ‘in ieder woord geboorten van literatuur’, de beeldhouwer Moore vindt nieuwe vormen en dimensies in de gaten en holten die hij in zijn materiaal boort, schrijvers van romans en drama’s maken een eindeloos aantal nieuwe patronen uit de menselijke verhoudingen en Innerlijke processen, en niets verklankt zonder woorden of beelden, zo indringend de grandeur en misère van het leven op aarde als de muziek.

De kunstenaar ontdekt en herkent verbanden en betrekkingen waar die eerst niet schenen te zijn, zoals hij ook chaos en bederf waarneemt waar men die niet vermoedt of niet wil zien. Hij geeft gestalte aan wat de maatschappij-mens vergeten, of zich nog niet bewust geworden is. hij leeft en werkt op de grens tussen de ons vertrouwde wereld met alle normen en regels en instellingen en organisaties, en de nog onverkende ruimte in en om ons. Kunst is uitdaging aan het geijkte, aanranding van het verstarde. Kunst opent onophoudelijk nieuwe perspectieven. Kunst is spel in reactie op loodzware gewichtigheid en pedanterie, maar heilige ernst in reactie op onverschilligheid of oppervlakkigheid. Kunst is soevereine schoonheid in reactie op grauwe sleur, het gekunstelde en banale, maar schokkende lelijkheid in reactie op het zielloos gladde. Kunst ontmaskert onwaarachtigheid en domheid.

Kunst is, zoals Lawrence eens gezegd heeft, een kwestie van “purity of mind”, reinheid van geest in de zin van absolute integriteit, wat niet hetzelfde hoeft te zijn als “goedheid” in de ethische betekenis van dat woord. De kunstenaar vervult zijn sociale functie door zo intens mogelijk te zijn wie en wat hij is, en door zo goed mogelijk te doen wat hij kan. Zijn verantwoordelijkheid geldt die eenheid van vorm en inhoud die zijn werkstuk is — daaraan geeft hij zijn aandacht, talent, zijn energie, zichzelf geheel. Hij kan niet anders.

Voor mij ligt de verantwoordelijkheid van de kunstenaar als mens in hetzelfde vlak als de verantwoordelijkheid van de mens als kunstenaar, d.w.z. in het vlak van de vrije creatieve persoonlijkheid-in-ons. De ontwikkeling dáárvan mogelijk te maken, die te eerbiedigen en te beschermen lijkt mij een taak en een verantwoordelijkheid voor de maatschappij.


Hella S. Haasse: “Leestekens”, pag. 9—13.